Onwijs vette shit

Ooit was er een tijd dat woorden als ‘chill’, ‘chick’, ‘gaaf’ en ‘tof’ uit den boze waren. Ouders trokken dan eerst de wenkbrauwen op en besloten vervolgens het woord te ‘misbruiken’ ter irritatie van de kroost: ‘’Deze trui is echt vet gaaf, helemaal de shit als je het mij vraagt.’’ (gevolgd door een ‘maaam, doe normaal’)
De bovengenoemde woorden waren dus vooral bedoeld om je sarcastisch uit te drukken, vaak gepaard met een nadruk op ‘gaaf’ en een Gooische ‘r’: ‘Heb je nagellak gekocht op de rommelmarkt? Nou, gááf hooorrrrrrr.’

Tegenwoordig is het anders. Of nou ja, tegenwoordig, ik denk dat het eerder met de leeftijdscategorie te maken heeft. Sinds ik me heb begeven in het studentenleven van Nijmegen merk ik dat deze taboewoorden opeens in het alledaagse leven gebruikt worden zonder een sarcastische ondertoon. The woman next door is die chick, het festival was gaaf, de kaart ziet er tof uit en alles is chill.

Nee echt, voor álles wordt chill gebruikt. Voor het claimen van de wasmachine na de huidige gebruiker, het krijgen van tien euro korting bij de Efteling, het kunnen opwarmen van een maaltijd in de magnetron, het niet hoeven gaan naar college omdat het wordt opgenomen en het samen bankhangen (‘Zullen we samen gaan chillen?’ –‘Ja, chill.’). Chill is zo’n woord dat gebruikt kan worden in iedere situatie die ook maar een beetje positief kan uitpakken voor minstens een persoon binnen het gesprek. Scoor je meteen weer punten mee, omdat je zo ook bewijst dat je je hebt geïntegreerd in de samenleving der studenten.

Tof wordt eigenlijk niet zo vaak mondeling gebruikt, maar meer via de mail (joh wat ouderwets) of in Whatsappjes. Ik moet eerlijk zeggen dat ik er nog steeds niet helemaal achter ben of mensen dit woord gigantisch tuttig vinden of wel grappig. Dus ik gebruik het maar gewoon. Hebben mijn contactpersonen ook weer iets om over na te denken.

De coolepersonengroep is de gebruiker van chick. Ik weet niet zo goed waarom. Misschien omdat ‘chick’ alleen wordt uitgesproken door mensen waar dat woordgebruik bij past. Zou wel een leuke onderzoeksvraag zijn: ‘Waarom gebruiken alleen coole personen het woord ‘chick?’.’ Scriptie-onderzoek, anyone?

Wat dan wel weer opmerkelijk is, is dat de woorden ook gebruikt kunnen worden om een semi-enthousiasme aan te tonen. Het is heel makkelijk om wat extra nadruk te leggen op de ‘gaaf’ en hiermee de indruk te wekken dat het idee dat de ander een dagje naar Utrecht gaat terwijl jij moet creperen voor een tentamen wel écht súpertof is.

‘Onwijs vet’ heeft het overigens niet gered in de huidige vocabulaire van het Nederlandse studentje. Het wordt nog steeds geassocieerd met ouders die graag mee willen komen met de jeugd of de doorsnee moeder die haar kind in de maling wil nemen.
Nou chick, tóf hoorrrrr, maar die leeftijdscategorie ben je dus al onwijs ver voorbij.

Geen paniek, het is maar chaos

Met een zwaai gooi ik de koffer uit mijn moeders pruttelende auto, waarna ik er zelf ook uit vlieg terwijl ik mijn moeder een vluchtige kus op de wang geef, mijn broer een halve omhelzing, om hierna mijn handen in mijn jaszak te steken om mijn ov-kaart als prijs uit een grabbelton eruit te toveren en het dwingend te drukken tegen de hekjes die altijd openstaan, die vervolgens bliepend zeggen dat ik toestemming heb om legaal te reizen, maar ik al aan de onderkant van de roltrap sta en bijna achteruit val omdat de koffer half op de trede staat om er vervolgens achter te komen dat de trein pas over een kwartier komt. Rillend van de kou spring ik op en neer, schud mijn voeten alsof er poep aan zit, bestudeer de reizigers aan de overkant, die bepakt zijn alsof ze de rest van het jaar hun eigen bed niet meer zullen zien, die net als de rest van de vooral onwennige reizigers reikhalzend uitkijken naar de trein die niet sneller zal komen door de dwingende blik van de toekomstige passagiers. Dit zicht wordt ontnomen door een piepend stoppende trein op het verkeerde spoor, en dit zicht wordt weer ontnomen door een piepend stoppende trein op het goede spoor. Haastig vliegen de mensen naar het randje van de stenen, voorbij de witte strepen die genegeerd worden door vrijwel iedereen, waarop een kort mentaal gevecht bij de deur volgt dat ervoor zorgt dat ik na enkele seconden de trein in stap met een koffer tussen m’n benen en de trap op strompel naar een zitplaats tegenover de deur, langs een meisje die lichtelijk opschuift bij het zien van mijn grote koffer en even later tegenover een meisje die haar benen demonstratief wegtrekt, waarnaar ze geconcentreerd naar haar laptop kijkt maar tegelijkertijd skipt door de muziek op haar telefoon alsof ze haar handen over de ruggen van boeken in de bibliotheek laat glijden.

Een blikkerende stem die de snelheid van de trein wil bijhouden deelt de reizigers mee dat we station Den Bosch binnenrijden en met een blik naar buiten zie ik inderdaad de Emté in het vreemde gebouw en de karakteristieke lelijkheden van een beginnend perron, dus sleur ik mijn koffer de trap af, klaar om het station over te sprinten alsof aan de andere kant een gratis vakantie te halen is, maar in werkelijkheid daar een trein nog een minuutje staat te wachten totdat de deuren met een klak dichtschuiven en haastige reizigers diep teleurstelt. Na een chaotische dertig seconden kan ik me in de nieuwe trein weer neer zegenen tegenover een vrouwtje die me sereen lachend aankijkt terwijl ze haar haaknaalden door een glitterende zilveren draad laat schieten en zo een patroon creëert waarvan ik het bestaan nog niet vanaf weet en ook niet durf te vragen, en terwijl ik uit het raam kijk zie ik dat er een niet bestaand startschot heeft geklonken dat een teken gaf aan twee treinen om tegelijk weg te rijden, alsof ze zich opmaken voor een eindsprint tegen Usain Bolt.

De zon schijnt. Ik dein met gesloten ogen mee op mijn muziek.

Ik maak een x-ray van mijn koffer in mijn hoofd en besef dat ik mijn aantekeningenboekje ben vergeten en trek daar de conclusie uit dat de tekening die ik daarin heb gemaakt nu niet kan afmaken, maar dat ik die wel heb ingescand dus dat het geen probleem moet vormen en dat mijn dag dus gewoon normaal volgens planning kan verlopen, maar dat het fitnessen na college misschien geen goed idee is, want de bonkende hamer in mijn hoofd heeft zijn weg teruggevonden uit een ver hoekje uit mijn brein waar ik het had weggestopt. Ik haal mijn neus op waardoor er een aftandse geur mijn neusgaten binnendringt, dat me doet denken dat er toch wel echt poep aan mijn schoenen zit, maar dat ik dat niet met een doekje er vanaf kan schrapen in het midden van een coupé dus zet ik ze maar stevig op de grond in de hoop dat de linoleum vloer de geur zal absorberen en met de andere uitlaatgassen mee de lucht in spuit. De trein schokt en staat stil op het perron van centraal station Nijmegen, waar ik met tegenzin de heerlijke stoel in de spotlight van de zon verlaat en mijn koffer sleep over het station dat typisch geurt naar een mengeling van koffie, thee en chocolademelk en de altijd bijna onweerstaanbare geur van ongezonde snacks waar ik een immuun voor heb opgebouwd. Even later vind ik mezelf half rennend half lopend de trap af gaan en de roltrap opgaan en dringen voor de ov-poortjes, die bliepend zeggen dat ik toestemming heb gehad legaal te reizen en trek een sprintje naar de schuifdeuren waar ik doorheen val alsof ik net een zware reis heb overleefd.

Het discokoekjesentiment

Mijn bankrekening smeekte om een bezoekje aan de Aldi in plaats van de Albert Heijn, dus bereidde ik me voor op de barre tocht van drie straten die ik moest afleggen. Mijn missie was om wat alledaagse eetdingen in huis te halen. Zo kwam het dat ik verveeld mijn blik liet gaan over het aanbod koekjes. In mijn achterhoofd kwam het luxueuze stemmetje opzetten dat de collectie van twee straten terug toch lekkerder was, maar stug zette ik voort in mijn zoektocht naar de nieuwe pauzesnack.

Een verpakking trok mijn aandacht. Het was alsof iets in mijn brein getriggerd werd door de kleurencombinatie van het plasticje, de langwerpige vorm en de speelse jaren ’00 letters op de voorkant. Discokoekjes.

De flashback die ik toen kreeg zou zo uit een film kunnen komen, waarbij er met een ‘swoosh’ geluid wordt ingezoomd op de ogen, waarna je een afgedraaide film ziet. Mama die mij een discokoekje geeft om in mijn tas te stoppen, samen met zwemkleren, een duikbril, waterschoentjes en een handdoek. Na de zwemles, meestal maandag om 4 uur, at ik het koekje. Wanneer je het plasticje wegscheurt wordt er een chocolade-caramel-koek onthuld, met kleine smarties op de chocolade (wat van het koekje de disco maakt). Deze werden eerst losgepulkt, voordat de koek gretig in mijn altijd leeg voelende maag werd gepropt.

Ik staarde naar het pakket van koeken en speelde met het idee om ze mee te nemen. Het discodilemma. Iets weerhield me om de koekjes mee te smokkelen en alleen op mijn kamer  langzaam maar doelbewust op te eten. Een vervreemding van het verleden. Wat hebben die koekjes nu voor zin? Ze waren lekker, dat zeker, maar koop ik ze voor de smaak of voor het jeugdsentiment?
Een andere herinnering die op dat moment opkwam was de hiërarchie van coolheid in de pauze op het basisschoolplein. Wanneer je Prince Ministar, Duopenottidipjes of Smoeltjes had, dan steeg je in de hiërarchie van cool op het plein. Met een banaan of een komkommer zakte je op deze maatschappelijke kleuterladder. Maar wanneer je de discokoekjes had, dan was je de shit.

Ik glimlachte bij deze herinnering en scheurde mijn blik los van de nog zonet potentiële pauzesnack van de week. Bij de gedachte aan deze bizarre maatschappelijke ladder besefte ik me dat het toch veiliger is om de koekjes te laten liggen in het schap waar ze horen, om daar opgepakt te worden door ouders die van plan zijn hun kinderen eens flink te verwennen. En zo hoort het ook, uit voorzorg dat onze sociale positie in de volwassen wereld niet bepaald wordt door het wel of niet bevatten van smarties op je pauzesnack.

Of iets dergelijks

Stel dat er zo’n lijst als de Spotify: year in music voor woorden zou bestaan, met daarin, in plaats van de confronterende informatie over de muziekverslaving van het jaar (platgedraaide nummers van Abba), een overzicht van de meest gebruikte abnormale woorden. Dan zou zonder twijfel de hoogste binnenkomer van 2016 ‘of iets dergelijks’ zijn, de loeiharde hit van het jaar. Maar hij zou niet in het rijtje van de wereldwijde hits staan, maar in mijn persoonlijke, dierbare lijstje.

Of-iets-dergelijks is mijn favoriete woord. Ja, ik heb een favoriet woord. Als Nederlands student heb ik mezelf het privilege gegeven om diep na te denken over taal en dus een woord te kiezen dat mij wel ligt. Misschien komt deze wijsheid van mijn Nederlands docent van de middelbare school, wiens favoriete woord ‘desalniettemin’ was. Desondanks het feit dat dat woord in geen enkele informele spreektaalsituatie te gebruiken is, gooide hij het woord toch iedere les over het bureau en maakte hij een treffend doelpunt in het midden van mijn brein.
‘Desalniettemin’ staat dus nog steeds gegrift in mijn geheugen. Het bekt wel lekker, I’ll give him that.

In tegenstelling tot mijn Nederlands docent heb ik gekozen voor een woord waarmee ik wél mensen dood kan gooien in elke situatie die je kan bedenken. ‘Of iets dergelijks’. Het duidt een soort onwetendheid aan, een luiheid om verder na te denken over het onderwerp. Deze definitie heb ik zelf bedacht, want de woordcombinatie is niet opgenomen in het Van Dale woordenboek, zelfs niet als subdefinitie  bij ‘dergelijks’ of ‘iets’. Schande.

Maar wat maakt of-iets-dergelijks nou tot mijn favoriete smijtwoord? Nou, gewoon, omdat je het letterlijk achter elke zin in elke situatie kan plakken. De planning van je agenda (ik ga vanavond wel met vrienden eten of iets dergelijks), je toekomst (als dit tentamen niks wordt ga ik voor een rijke man of iets dergelijks) of je vage studentengerecht dat eigenlijk bestaat uit willekeurig bij elkaar gegooid eten (het is noedelsoep of iets dergelijks). Het past er allemaal moeiteloos achter.

Het mooie is dat of-iets-dergelijks toch een enige mate aan professionaliteit in zich heeft, maar tegelijkertijd het meest vage begrip ooit is. ‘Of iets dergelijks’ klink al hoogstaander dan ‘of zoiets’ of ‘iets in die richting’. Ik gooi er dan ook graag mee. Door het gebruik van de woordcombinatie denk ik altijd graag dat je de voorgaande zin volledig ontkent. Bijvoorbeeld: je geeft een specifiek antwoord op een vraag over de stof voor een tentamen maar je bent niet zeker of het wel precies klopt. Hoppa, we smijten er een of-iets-dergelijks achter. Zo kan niemand je meer aankijken als je ergens een fout antwoord op hebt gegeven.
Ik heb het nog niet geprobeerd op tentamens, maar ik heb een vaag vermoeden dat het niet gewaardeerd zal worden.

De onwetendheid, vaagheid en de inbegrepen ontkenning passen wel bij. Ik hoef niet altijd alles concreet en precies uitgestippeld te hebben. Ik hoef niet altijd precies alles te weten. Ik zei dat het op elke situatie toepasbaar is. En dat is ook zo. Het is toepasbaar op mezelf. Misschien dat het daarom mijn favoriete woord is.

Ik ben Anne Rombouts. Of iets dergelijks.